Asser stationshond mini-Mannes nu ook verkrijgbaar in z’n ware kleur

Gepubliceerd:
Assen – De mini-versie van de houten Asser stationshond Mannes, die sinds kort te koop is, is nu naast de zwarte versie ook verkrijgbaar in de bruine kleur, zoals Mannes daadwerkelijk is geplaatst bij het stationsgebouw.
vorige
  • U kunt kiezen: zwart of bruin. - © Robbert Willemsen
    U kunt kiezen: zwart of bruin. - © Robbert Willemsen
  • Zoals Mannes er nu staat. - © Bert Visser
    Zoals Mannes er nu staat. - © Bert Visser
  • Zoals Mannes er aanvankelijk moest komen. - © Nio en Sefarijn
    Zoals Mannes er aanvankelijk moest komen. - © Nio en Sefarijn
volgende

Yvonne Klaassens, eigenaar van kunstwinkel Art Quake in ’t Forum, is naast het Drents Museum een van de verkooppunten in Assen. Zij kreeg mini-Mannes in het zwart geleverd, de kleur die de ontwerpers van de zes meter grote hond, de Rotterdamse kunstenaars Nio en Sefarijn, aanvankelijk voor ogen hadden.

Visitekaartje

Het college van B en W in Assen vond echter dat Mannes in het zwart een wel heel groot visitekaartje zou zijn voor de ontwerpers van het nieuwe stationsgebouw, Architectenbureau De Zwarte Hond. En besloot dat de kleur bruin moest worden, wat Mannes tevens een vriendelijkere uitstraling zou geven.

Dit tot onvrede van de ontwerpers. Dat mini-Mannes nu toch enkel in het zwart is geleverd, zou in opdracht van Nio en Sefarijn zijn gebeurd. Maar zo ziet de hond er dus niet uit, vond ook Yvonne Klaassens. Zij besloot vervolgens mini-Mannes te bewerken en de werkelijke bruine, glanzende kleur te geven.

Kiezen

Yvonne: ‘Ik vind dat mensen moeten kunnen kiezen. Als je zwart mooi vindt, koop je een zwarte. Als je Mannes liever in de kleur hebt zoals die daadwerkelijk is geworden, kies je daarvoor.’ En met een knipoog. ‘Mensen die dit weten, bestellen vaak de bruine Mannes. Ik heb al een behoorlijke bestellijst.’

De echte Mannes staat ondertussen geduldig in zeil verpakt te wachten tot het 4 oktober is, dan wordt de stationshond officieel en feestelijk onthuld.

Tekst: Robbert Willemsen