Hans Pettinga: ‘Leven in Libanon was niet te voorspellen’

Gepubliceerd:
Assen - Assenaar Hans Pettinga vertrok in februari 1979 naar Libanon waar hij meedeed aan de VN missie UNIFIL (United Nations Interim Force in Lebanon). Veertig jaar later blikt hij terug op deze periode.
vorige
  • Veel dingen maakten indruk op Hans Pettinga. ‘Zoals te midden van geweld zitten, steeds die beschietingen.' - © Eigen foto
    Veel dingen maakten indruk op Hans Pettinga. ‘Zoals te midden van geweld zitten, steeds die beschietingen.' - © Eigen foto
volgende

‘Ik ben 3,5 maand in Libanon geweest. In 1978 was ik gelegerd in Nunspeet op de Generaal Winkelmankazerne en onze commandant daar was één van de mensen die een compagnie in Libanon ging leiden. Hij wilde zelf selecteren wie van zijn mensen in Nunspeet meeging. Ik was daar één van. Iedereen die geselecteerd werd had flink wat ervaring als dienstplichtige. We zaten in het laatste halfjaar van onze diensttijd. Ik vermoed dat dit ook gedaan is om ons niet op te zadelen met een hele lange missie. Toen ik op 7 juni terugging was de diensttijd voorbij en dat gold voor vrijwel iedereen die bij de eerste rotatieronde Libanon verliet.’

Grote verrassing

‘Als je in Zuidlaren op de kazerne zat, waaronder veel noorderlingen, wist je dat je inzetbaar was voor bijzondere acties, zoals tijdens de watersnoodramp in Zeeland. Dus je wist dat er wat kon gebeuren. Dat het ook kon betekenen dat je naar Libanon werd uitgezonden, was een grote verrassing. Dat we vanuit Nunspeet ook naar Libanon gestuurd konden worden was zéker een enorme verrassing. Ik heb steeds geprobeerd er tijdens mijn diensttijd van te maken wat er van te maken viel, zodat ik er zelf nog wat lol aan had en anderen ook. Zelf zou ik nooit gekozen hebben om militair te worden, maar ja; de dienstplicht was er in die tijd.’

Fransen

Hans ging met een groep van 75 man heen als kwartiermaker. Die klus begon 27 februari met voorwerk voor de hoofdmacht van 750 man, die 10 maart kwam. Op 14 maart werd het stokje door de Fransen doorgegeven aan de Nederlanders. ‘We zaten in de kwartiermakerstijd op klein veldje naast het Franse kamp, van daaruit werkten we. Er waren veel posten die door de Fransen werden bemand. We gingen daar langs om te inventariseren wat er in het gebied speelde, waar we op moesten letten, welke groeperingen we mee te maken hadden, niet te vergeten, in welke gebieden (wadi’s) verhoogde kans op infiltraties waren. We hebben uiteraard ook zelf het gebied verkend. Alle kennis hebben we opgeschreven om zo goed beslagen ten ijs te komen en zodat de onze eigen hoofdmacht de informatie meekreeg die nodig was om meteen aan de slag te kunnen.

Controleren

‘Wat we in ons gebied deden was: voertuigen controleren, mensen onderzoeken op wapens bij de posten. In het zuiden waren die op hoge plekken, van daaruit bekeken de Nederlandse militairen het gebied van majoor Haddad met verrekijkers. Vanaf de andere kant werden wij nauwgezet in de gaten gehouden. Er werden patrouilles gelopen en we voerden veel gesprekken met de burgers daar. Ikzelf was meestal van ‘s ochtends vroeg tot ’s avonds laat onderweg met post halen en brengen van en naar Beiroet, of met ritjes naar verschillende Nederlandse posten. Als je een Nederlandse krant zag was die minstens een dag of zes oud. Ik bracht video’s van de ene post naar de andere zodat de mensen via VHS-banden nieuws uit Nederland konden zien, zoals het journaal en actualiteitenrubrieken maar ook Toppop. Ook reed ik regelmatig op een drietonner voor de watervoorziening, zodat iedereen steeds kon wassen en douchen.’

Totaal andere wereld

‘Je weet niet wat je overkomt daar, het is een totaal andere wereld. Een wereld waar geweld vrij normaal is. De eerste dagen keek je ervan op, dat je elk dagdeel beschietingen hoorde, niet altijd naar ons gericht, maar wel in nabije de omgeving. Aan de andere kant ben je verbaasd hoe snel dat alweer ‘gewoon’ is. Je bent je snel bewust dat je in een omgeving bent waar geweld altijd dichtbij is. Ik denk wel dat we in de periode dat wij er zaten de burgers rust hebben kunnen bieden. Tuurlijk, er gebeuren altijd dingen, maar in 2012 ben ik terug geweest en kwam ik in gesprek met mensen in dat gebied die ons nog steeds dankbaar zijn. Dat is heel bijzonder, de Nederlanders hebben daar een goede naam opgebouwd. En dan te bedenken dat de UNIFIL missie nog steeds loopt.’

Beschietingen

Veel dingen maakten indruk op Hans. ‘Te midden van geweld zitten, steeds die beschietingen. Dat je door tentgenoten wakker gemaakt wordt, knallen hoort en dat je dan pas beseft, dat je middenin een mortierbeschieting zit. Het land is betoverend mooi, het verraderlijke is dat er altijd dingen gebeuren. Dat is het onvoorspelbare van het leven daar. Die contrasten.’ De Assenaar herinnert zich ook de aanleveringen van voorraden en dergelijke vanuit Israël. ‘We moesten dan door het gebied van majoor Haddad. En als er iets gebeurde wat hem niet zinde, kon je niet door dat gebied van en naar Israël komen. Daarnaast beschoot hij het UNIFIL-hoofdkwartier of ons eigen gebied soms. Dan moesten we over op noodrantsoenen, of het doen met de voorraad die er nog was. Daardoor besef je ook wel dat we het hier nog niet zo gek hebben.’

Jongensboek

‘Ik kijk er met een goed gevoel op terug. Het is toch een soort jongensboek. De gebeurtenissen staan op je eigen ‘harde schijf’ gebrand. De kameraadschap, het op elkaar aangewezen zijn. Je komt er snel achter wie je wel en niet kunt vertrouwen, je moet het toch met elkaar doen. Dan heeft de één het even moeilijk en dan de ander. Je moet je er samen doorheen zien te slaan. Het is wel een verrijking. Ik vond het mooi om te ervaren als je nu spreekt met de mensen in het gebied je nog steeds welkom bent. Je merkt dan trouwens dat de overheersende politieke organisatie je nu nog steeds van a tot z wil controleren. Toen ik in juni 1979 weer in Nederland was wist ik: Ik ga ooit een keer terug. Dat is in 2012 gebeurd. Wat dat betreft is de cirkel rond. Als ik nog eens heen ga is dat, als het gebied waar ik zat in de reisgids wordt aangeboden als veilig vakantiegebied. Ik denk niet dat ik zo oud ga worden dat dat gaat gebeuren. Dat is wel triest.’

Tekst: Cindy Houwen

vorige
  • Hans Pettinga
    Eigen foto
volgende

vorige
  • Hans Pettinga
    Eigen foto
volgende